Top

Zaza en ik

De eerste keer dat ik Zaza zag, was mijn vriendin L. op bezoek. Ik stond voorover gebogen in mijn tas te rommelen toen hij een sprintje trok van onder mijn bed vandaan, tussen mijn voeten door, langs de opengeslagen koffer van L. en onder de verwarming verdween. Het ging zo snel dat ik twijfelde of ik hem inderdaad gezien had en voor mijn eigen gemoedsrust (of beter gezegd nachtrust, want het was bedtijd) besloot ik dat ik hem bedacht had.

Maar de tweede keer dat ik Zaza zag, was er geen ontkennen meer aan.

Het was kwart over drie ’s nachts toen ik, net terug van een feestje, vrolijk neuriënd mijn badkamer binnen liep. Na twee weken van logees had ik het rijk weer alleen en ik verheugde me op een lange nacht mét airco en zónder wekker. En terwijl ik mijn haar in een elastiekje bond en mijn tandenborstel zocht, zag ik hem ineens zitten: anderhalve centimeter groot, roodbruin van kleur, prikte hij met zijn lange voelsprieten tegen de wc-pot.

Nou is dit een uitgelezen kans om het verhaal mooier te maken dan het is (ik stel mezelf graag voor als een stoere, onafhankelijke vrouw), maar eerlijk is eerlijk: ik slaakte een kreet en sprong naar achter. Een actie waar ook Zaza lichtelijk nerveus van werd, want hij verdween op een drafje achter de wc-pot.

De zomer in New York, moet ik even uitleggen, is zo heet dat de aanwezigheid van kakkerlakken hoe dan ook onvermijdelijk lijkt. Mijn vriend P. had een paar weken eerder al een reuze-exemplaar van zijn deurpost gemept: “Het was echt ranzig, je hoorde van alles kraken.” De Nederlandse S. legde uit, dat het niets met hygiëne te maken had: “ze eten daar waar het vies is en ze wonen daar waar het schoon is, dus je komt ze hoe dan ook tegen.” En kakkerlakken, zo vond S., die moeten gewoon dood. “En als je ze dan dood maakt, moet je ook nog oppassen dat het geen vrouwtje is, want die leggen dan miljoenen onzichtbare eitjes en dan ben je helemaal ver van huis.” Mijn vriend T. haalde zijn schouders op: “wacht maar tot je een waterkever ziet: die zijn pas smerig, want 4 keer zo groot als de gemiddelde kakkerlak.”

Goed, daar dact ik dus aan terwijl ik een terugtrekkende beweging maakte en de deur van de badkamer dicht trok. “Tom Poes, verzin een list!” mompelde ik, terwijl ik op bed ging zitten en even serieus overwoog om mijn moeder te bellen (ter verdediging: mijn moeder is opgegroeid op een boerderij en ze is de rots in de branding van ons gezin als het om welke vorm van ongedierte dan ook gaat. Zo kreeg ik een keer de tip van haar om een door mijn katten gevangen duif in de vriezer te leggen voor een ‘humane’ dood – een tip die ik overigens weigerde in de praktijk te brengen, maar die ze zelf serieus een keer uitgevoerd heeft. Met een muis. Maar dit geheel terzijde).

Ik dacht aan Zaza, uit Pluk van de Petterflet, en besloot tot mijn geheel eigen benadering: die van het gesprek. “Zaza, buddy, listen up” riep ik door de gesloten badkamerdeur “I am gonna clean up my room and give you some time to get the f* out of there. Okay? Okay! Great!” En dus begon ik ijverig mijn tijdschriften te sorteren en mijn kleren op hangertjes te hangen. Maar toen ik na 15 minuten de badkamerdeur open gooide, zat Zaza daar gewoon nog vrolijk met zijn voelsprieten in de rondte te prikken.

Het werd tijd voor aanpak nummer twee: die van het lucifersdoosje. Geduldig legde ik Zaza uit wat we gingen doen: “ik leg deze opengeschoven doos over jou heen, schuif hem dan voorzichtig dicht en laat je buiten op straat weer vrij.” Dat leek Zaza bepaald niet gerust te stellen (“It’s a freakin’ jungle out there! God knows what will happen.”), want terwijl ik met mijn doosje zwaaide draafde Zaza van links naar rechts, van voor naar achter en onder de wc-pot en weer terug tot hij (onder luid protest van mij) onder de deur van de badkamer mijn woon/slaapkamer in verdween.

Het was inmiddels vier uur en ik begon me nerveus af te vragen of kakkerlakken konden klimmen. En of ze dan ’s nachts over je gezicht (bijvoorbeeld) zouden wandelen. En daarmee stelde ik mezelf natuurlijk alles behalve gerust. Ik stak mijn hoofd om de hoek van de deur en zag nog net hoe Zaza achter het fornuis verdween in een veilige holte waar ik precies níet bij kon. Ik begon moe te worden en besloot het erop te wagen: “Zaza, buddy, I’ll leave you alone, but don’t you dare to come out!” En daar leek Zaza vrede mee te hebben, want ik heb hem sindsdien niet meer gezien. Maar: die nacht sliep ik wel met één oog open. Voor het geval dat.

Wyke Potjer
Geen reacties

Plaats een reactie